1565 – 1640
Antonius Thysius werd op 9 augustus 1565 te Antwerpen geboren. Hij studeerde te Leiden en te Genève, waar hij van de oude Beza nog onderwijs ontving. Aan de hogeschool van Heidelberg, die hij vervolgens bezocht, werd hij warm bevriend met Gomarus, en evenals deze is hij nog voor zijn studies in Cambridge en Oxford geweest. In 1590 heeft hij gedurende enkele maanden te Haarlem gepredikt, om na het overlijden van zijn vader naar Frankfort te vertrekken. In 1594 en 1595 was hij als hulpprediker in Amsterdam werkzaam, aan welke gemeente hij echter niet als vast predikant verbonden wilde zijn. Reislustig als hij was vertrok hij vanhier naar Leiden en bezocht vervolgens verschillende andere steden en hogescholen.
Op aanbeveling van Gomarus werd hij in 1601 aan de hogeschool te Harderwijk als hoogleraar benoemd, waar hij naast mannen als Pontanus tot 1619 op lofwaardige wijze werkzaam bleef. Wel beval hij in 1602 Arminius te Leiden als hoogleraar aan en noemde hij dezen toen ‘een Licht der Nederlanden, tot dienst der scholen geboren’, doch weldra bleek, dat hij zijn leringen toch niet deelde. In verschillende geschriften sprak hij in de remonstrantse twisten zijn mening uit. Reeds in 1612 poogde hij op last van de Gelderse Synode gedaan te krijgen dat er een Nationale Synode zou worden gehouden.
Toen deze Synode in 1618 te Dordrecht bijeenkwam, werd ook Thysius onder haar leden gevonden. In de 13de zitting werd hij tot plaatsvervangend vertaler en tot overziener van het Oude Testament benoemd. Met Gomarus was hij fel gekant tegen het preken door studenten. In het voorlezerschap zag hij een eerste stap naar het predikambt. In de 64ste zitting gaf hij van zijn contraremonstranten gevoelens duidelijk blijk, toen hij een antwoord gaf op de twee vragen: ‘Of het besluit Gods om de gelovigen zalig te maken, was het ganse besluit van de predestinatie ter zaligheid? Of het geloof was een conditie, die vereist werd in degenen, die verkoren zouden worden, of een vrucht, uit de verkiezing volgende’? Toen hij bij het onderzoek over het derde en het vierde artikel aan het woord kwam en het in de strijd met Martinius voor deze opnam, werd hij hierover door Gomarus en Lubbertus aan de mantel getrokken en aangesproken. Met deze beiden was Thysius het ten aanzien van de leer van de predestinatie niet eens, omdat hij het infralapsarisch standpunt innam. Ook hem werd opgedragen het ‘Wederlegschrift’ samen te stellen en in de commissie voor het gereedmaken van een authentieke tekst van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis kreeg hij zitting.
Op aanbeveling van de Synode van Zuid-Holland ontving hij in 1619 een benoeming tot hoogleraar te Leiden. Op 10 oktober 1619 inaugureerde hij met een rede getiteld: ‘Oratio de theologia eiusque studio capessendi’. Bijna 21 jaar was hij te Leiden werkzaam; hij was een sieraad voor de Academie. Op 7 november 1640 overleed hij, waarna hij door Trigland in een lijkrede werd herdacht.
