1573 – 1639
Antonius Walaeus, de zoon van Jacobus Walaeus en Margaretha Wagenaers, werd op 3 oktober 1573 uit een oud en aanzienlijk geslacht te Gent geboren. Niet langer dan een jaar ontving hij het eerste onderwijs van de predikant van St. Nicolaas. Toen hij wegens het vertrek van deze naar huis moest terugkeren, scheelde het weinig of zijn vader was door de verjaagde, maar teruggekomen voor schepen Hembyze terechtgesteld. Bij de nadering van de hertog van Parma nam de vader bij voorbaat de wijk naar Walcheren, waar hij met de proviandering van de Zeeuwse zee- en landmacht werd belast. Als Antonius zijn vader hiermee niet hielp, was hij als schrijver op een notariskantoor te Middelburg werkzaam.
Toen in een nacht een stem hem tot het predikambt riep, ging hij weldra de Latijnse school te Middelburg bezoeken, waar hij onderwijs van Jacobus Gruterus en de wijsgeer Murdisonius ontving. Omdat zijn vader door de vlucht al zijn bezittingen had verloren, kon Antonius, door een beurs hiertoe in staat gesteld, pas in april 1596 de Academie te Leiden bezoeken, waar hij studeerde onder Lucas Trelcatius sr., Franciscus Junius en Franciscus Gomarus en hij de huisgenoot van de laatste werd.
Na zijn eerste preek, in Voorschoten gehouden, deed hij een grote buitenlandse reis om de Hugenoten in Frankrijk en de Zwitserse universiteiten te bezoeken. Door de eersten werd hij tevergeefs als hoogleraar begeerd; op zijn reis ontmoette hij Beza, Polanus en andere geleerden en trad aan de Academie te Basel plaatsvervangend voor de hoogleraren op. In Nederland teruggekeerd, bedankte hij voor een beroep naar Leiden, om dat naar Koudekerke aan te nemen. Hier deed hij in november 1602 zijn intrede als predikant; hij bleef er tot 1605, toen hij de dorpsgemeente voor Middelburg verwisselde. Zijn persoonlijke zachtmoedigheid drukte op alles haar stempel en deed hem weigeren zijn leermeester Gruterus in 1607 als hoofd van de Latijnse School op te volgen, al hield hij er wel lezingen over de Griekse taal en wijsbegeerte. Toen Gomarus in 1609 in Middelburg hoogleraar werd, wist deze te verhinderen dat Walaeus zijn ambtgenoot werd, waar voor Gomarus later, tot beter inzicht gekomen, zijn verontschuldiging heeft aangeboden. Tegen aanvallen van binnen en van buiten heeft Walaeus de Kerk beschermd. In 1615 verscheen een belangrijk boekje van zijn hand over Het ambt der Overheid in kerkelijke zaken. In de remonstrantse twisten had hij geen ruim aandeel, maar in 1617 riep Prins Maurits Walaeus voor twee maanden naar Den Haag om van hem raad in de kerkelijke strijd te ontvangen. Voor het hofpredikerschap meende deze evenwel te moeten bedanken
Op de Grote Synode te Dordrecht was hij als officieus hoogleraar tegenwoordig. In het moderamen werd hem geen plaats toegewezen, wel onder de vertalers en overzieners van het Nieuwe Testament. Op bepaalde voorwaarden achtte hij het prediken van studenten geoorloofd. Hij huldigde het infralapsarisme, werd in de zittingen als exegeet te hulp geroepen en was lid van de Commissie van Redactie van de Canones. Hem werd opgedragen om Van 0ldenbarnevelt vóór diens onthoofding op zijn einde voor te bereiden
In 1619 werd hij tot hoogleraar te Leiden benoemd. Nadat hem op 18 oktober 1619 door Polyander de doctorstitel was verleend, inaugureerde hij de 21e oktober 1619 met een rede, getiteld: ‘Oratio de recta institutione studii Theologici’. Gedurende de twintig jaren die hij aan de Hogeschool te Leiden werkzaam was, is hij driemaal rector geweest en heeft hij vooral bij de Statenvertaling krachtige steun geboden. Na een kort ziekbed ontsliep hij de 9e juli 1639, door Polyander in een lijkrede herdacht.
