1656 – 1731
Zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven, (Matth. 10:16). (lijfspreuk van À Marck)
Jeugdjaren
Johannes à Marck (1656-1731) – ook wel Johannes Marckius of Johannes van der Marck genoemd – werd in Sneek geboren uit het huwelijk van Willem à Marck en Margaretha Cloppenburg, dochter van de beroemde theoloog Johannes Cloppenburg. Johannes werd vernoemd naar zijn opa van moeders zijde.
Al jong, toen hij net een half jaar oud was, moest Johannes zijn moeder missen. Ze stierf door de pestziekte die in Europa woedde. De kleine Johannes werd opgevoed door zijn vader en zijn grootmoeder van vaders kant, Barbara Arnoldi. Vader Willem deed er alles aan om zijn zoon in de vreze Gods op te voeden, tot Zijn eer en stichting van de kerk.
Johannes was begaafd met een groot verstand. Reeds op 5-jarige leeftijd kon hij in zijn moedertaal lezen en schrijven. Zijn vader, die rector was van de Latijnse school te Sneek, onderwees hem al vroeg in de Latijnse en Griekse taal. Hij was 11 jaar oud toen hij werd toegelaten tot die Latijnse school. Helaas stierf zijn vader in datzelfde jaar, 1667. Zijn grootmoeder moest hij het jaar daarop missen.
Student
Deze sterfgevallen belemmerden aanvankelijk zijn studie. Toch vervolgde hij ijverig zijn weg en werd hij, toen hij nog maar 14 jaar oud was, met lof toegelaten tot de Academie van Franeker. Daar volgde hij de lessen onder andere in filosofie, Grieks en geschiedenis. Vanaf het derde leerjaar ging hij over tot de theologiestudie.
In 1673 ging hij in Leiden studeren onder de vermaarde leermeesters Christphorus Wittichius, Antonius Hulsius en Fredericus Spanheim.
Predikant in Midlum
Na twee jaar ontving Johannes een beroep naar het Friese Midlum. Op 13 april 1675 werd hij proponent en op 9 mei werd hij te Midlum als predikant bevestigd. Op 28 juni daaropvolgend promoveerde de zeer begaafde 19-jarige jongeman tot doctor in de filosofie, en de dag daarop tot doctor in de theologie op een Disputatio de vero sensu loci [‘Verhandeling over de ware betekenis’] van Ezechiël 20:25.
Professor in Franeker
Deze buitengewone wetenschappelijke prestatie werd door de Gede- puteerde Staten van Friesland vereerd met ƒ 500,00, ‘ten einde hij daerdoor meer ende meer mach worden gaende gemaeckt in sijne seer loffelijcke dili- gentie [ijver] te continueren ende oock anderen opgeweckt worden desselfs voetstappen nae te speuren’.
Al na een jaar, in 1676, keerde hij terug naar Franeker om daar als derde professor – naast Nicolaus Arnoldus en Herman Witsius – de ‘Godgewijde jeugd’ te gaan onderwijzen in de theologie.
Zes jaar heeft hij zijn studenten onderwezen volgens de systematische theologie van Samuël Maresius (1599-1673). Ook behandelde hij de geschil- len met de roomsen en de arminianen, en verklaarde hij de brieven van Paulus aan de Romeinen en de Galaten.
Professor en predikant in Groningen en Leiden
Na verschillende keren door de Groningers beroepen te zijn, verliet hij in 1682 het Friese Franeker; hij werd professor in de plaats van Maresius, en predikant in de plaats van Jacobus Alting, aan de Academie van Groningen. Naast het mondelinge onderwijs dat hij gaf, schreef hij verschillende exegetische werken, waaronder een verklaring over Jesaja 53 en de Openbaring van Johannes.
Acht jaar had Marck zijn krachten aan deze universiteit gegeven toen hij door de Leidse Academie beroepen werd. Op 5 december 1689 werd hij tot het professoraat ingehuldigd. Daarbij hield hij een redevoering over ’de schuldige eerbied voor de Heilige Schrift’. Het jaar daarop werd hij beves- tigd als predikant in de kerk van Leiden. In juli 1692 volgde hij zijn vroe- gere leermeester Spanheim op als professor kerkgeschiedenis.
In deze wijdberoemde Leidse Academie en kerk heeft hij gedurende 41 jaar het overige van zijn arbeidzame leven doorgebracht.
Huwelijk en gezin
Op 23 september 1677 trad Johannes in het huwelijk met Helena Buxholt. Ze ontvingen zes kinderen, maar bij de geboorte van het reeds in de moe- derschoot gestorven zevende kind stierf Helena op 30 mei 1686, tot grote droefheid van haar man.
Johannes hertrouwde met Catharina Ursinus, dochter van Johannes Ursinus, predikant te Rotterdam. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren, van wie vijf dochters reeds in de wieg stierven.
Een zoon uit dit tweede huwelijk was Johannes Wilhelmus (1691-1767), die ten tijde van het overlijden van zijn vader predikant te Gouda was.
Roem
Als leerling ging hij anderen te boven in geleerdheid en was hij zijn leeftijd ver vooruit.
De Leidse professor Antonius Hulsius erkende zelf:
‘Ik werd in verwondering weggerukt, toen ik een jongeling zag, die, met de eerste opslag van een boek, de Hebreeuwse, Griekse, Chaldeeuwse en Syrische teksten voor de vuist en vaardig in het Latijn wist te vertalen. Ja, dat méér is, die met dezelfde vaardigheid de accenten, punten en verschil- lende dialecten aantoonde; en dat wel met zoveel nauwkeurigheid, alsof hij alleen tot die soort van studies was opgeleid. Dit alles echter had hij zich- zelf geleerd. En van al die tijd dat ik de heilige talen óf zelf begon te leren, óf anderen begon te onderwijzen, wil ik graag bekennen dat ik een derge- lijke jongeling, zelfs onder de Joden, nooit heb ontmoet.’
Herman Witsius, zijn leermeester van de Franeker Academie, zei van hem: ‘Aangezien men de zedigheid van de levenden niet moet ontzien, zou ik wel iemand kunnen noemen, die niet alleen in dezelfde ouderdom als Sadeël, maar zelfs nog jonger, te weten op zijn 19e jaar, tot doctor in de filo- sofie en theologie met veel lof gepromoveerd is. Kort daarop, in zijn 20e, tot de theologische katheder op een beroemde Academie verheven, heeft hij de professorale waardigheid in alle delen zo wel gehouden, dat hij door voor- zichtigheid en statigheid niet slechts de jongelingen voorging, maar zelfs, door vaardigheid en kloekheid van verstand, vastheid en scherpheid van oordeel, en ver uitgestrekte kennis, zo van velerlei talen als van zaken, de ouden en die in onze kunst zijn grijs geworden, evenaarde, kortom, eenie- der tot verwondering strekte. Dit alles verhaal ik hierom, opdat wij Gods vrije milddadigheid, in zulke verheven vernuften, met dankbaarheid roe- men, en de jeugd van onze tijd tot naijver aansporen mogen.’
Besluit
Na een ziekbed van bijna twee weken verwisselde Johannes à Marck op 75-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige.
Johannes Wesselius schreef aan het slot van zijn lijkrede naar aanleiding van het sterven van À Marck:
‘Volgt Marcks voetstappen en al zijn deugden, hierboven geroemd, na, maar vooral zijn onvermoeide vlijt in het werk des Heeren, voorzichtigheid en oprechtheid in de burgerlijke omgang, eindelijk, zijn onopgesmukte godsvrucht en brandende ijver tot verheerlijking van de drie-enige God. En ten slotte, smeekt God met vurige gebeden, dat Hij u en ons nog vele zulke ‘Marcken’ wil verlenen.’
Dogmatiek
Johannes à Marck heeft veel geschriften op zijn naam staan: dogmatische, maar vooral exegetische werken. Wellicht het meest bekende werk van À Marck is het Compendium Theologiae Christianae didactico-elencticum. In 1686 verscheen de eerste editie en in 1690 de tweede editie. In dat jaar verscheen eveneens een verkorte editie van het Compendium met als titel Christianæ Theologiæ medulla didactico-elenctica. Van deze uitgave zijn zes drukken uit- gekomen.
In 1705 verscheen van de hand van À Marck zelf de eerste druk van een Nederlandse vertaling van het Compendium, met als titel Het Merch der Christene Got-geleertheit. Hiervan zijn in totaal vijf drukken uitgegeven.
Een oudere leerling uit de periode van Franeker, Johannes Wilhelmius (1671-1754), predikant te Rotterdam, publiceerde in 1714 een Nederlandse vertaling van de verkorte dogmatiek, met als titel Kort Opstel der Christene Got-geleertheit, tot leeringe der waarheeden en weederlegginge der dwaalingen (vier drukken).
Verder leverde Bernardus de Moor (1709-1780) een uitvoerig commentaar op À Marcks Compendium, met als titel Commentarius perpetuus in Johannis Marckii Compendium theologiæ Christianæ didactico-elencticum, Leiden, 1761-1778.
Exegetische werken
Naast zijn uitgebreide en verkorte dogmatiek heeft À Marck nog veel meer geschreven. In een van zijn laatste boeken is een lijst opgenomen van maar liefst achtentwintig, met name exegetische, werken in het Latijn, die tussen 1682 en 1728 zijn gepubliceerd. Zijn oeuvre bevat exegetische werken over Jesaja 53, de twaalf kleine profeten en verschillende Schriftplaatsen, een com- mentaar op de Openbaring en een verklaring van het Hooglied van Sálomo.
Overzicht van zijn geschriften
Behalve de bovengenoemde dogmatische werken zijn er nog enkele uitgaven geweest in het Nederlands, waarvan sommige uit het Latijn werden vertaald:
- Des mensen ijdelheid gesteld tegen de bestendigheid van het Woord Gots.
En voorgesteld in een uitbreiding over Jes. XL: 6-8. In de Academie-Kerke tot Groningen den XIII juni 1686, Groningen, 1686
- Academische lijkrede over de dood van Herman Witsius, Leiden, 1705
- Academische lijkrede over de dood van Jacob Trigland, Leiden 1705
- Korte verklaring van het vierde gebod der Goddelijke wet, Leiden 1708
- Kort onderzoek van de zo genoemde zeven tijden der kerke des Nieuwen Testaments, Leiden, 1713
- Het kerkelijke oordeel, waar door enige meningen van de vermaarde Herm. Alex. Röell in de synoden veroordeelt zijn, Leiden, 1725
- Korte brief over de heiliging van de kinderen der gelovigen in Christus, Leiden, 1729
- De ware gestalte van de kerk. Benevens de rechte manier van het kerkbestuur, Leiden, 1729
- Ontleding der Openbaring van Johannes; getrokken uit de uitlegging over de Openbaring, Leiden, 1736
- Uitlegging, of verklarende ontleding van den profeet Hosea, Amsterdam, 1748
Hieronder volgt een lijst van Latijnse werken, zoals die te vinden is in À Marcks Historia exaltationis Jesu Christi:
- De sibyllinis carminibus, Franeker, 1682
- Exercitationes juveniles, Groningen, 1686
- Compendium Theologiæ Christianæ, Groningen, 1686, 1690
- Narratio apologetica, Groningen, 1686
- Analysis exegetica capitis LIII Jesaiæ, Groningen, 1687
- In apocalypsin Johannis commentarius, Amsterdam, 1689
- Exercitationes miscellaneæ, Amsterdam, 1690
- Christianæ Theologiæ Medulla, Amsterdam, 1690, 1696,1705,1716 en 1721
- Excercitationes textuales, Amsterdam, 1694
- In Hoseam commentarius, Amsterdam, 1696
- Exercitationes Exegeticæ, Amsterdam 1697
- In Joelem, Hamosum, Hobhadjam en Jonam, commentarius, Amsterdam, 1689
- In Micham, Nahumum, Habhakkukum en Tsephanjam, commentarius, Amsterdam, 1700
- In Haggaeum, Zecharjam en Malachiam, commentarius, Amsterdam, 1701
- In Canticum Shelomonis commentarius, Amsterdam, 1703
- Historia paradisi illustrata, Amsterdam, 1705
- Medulla Theologiæ Christianæ, Rotterdam, 1723
- Biblicæ exercitationes, Amsterdam, 1707
- Brevis Declaratio quarti præcepti, Amsterdam, 1708, 1726
- Brevis Inquisitio septem sic dictarum periodorum (…) novi test, Leiden, 1713
- Scripturariæ exercitationes (…) veteris test, Amsterdam, 1709
- Scripturariæ exercitationes (…) Novi Testamenti, Amsterdam, 1710
- In Pentateuchi, commentarius, Leiden, 1713
- Epitome Christianæ Theologiæ didactico-elenctica, Rotterdam, 1714 en 1720
- Sylloge dissertationum, Leiden, 1717
- Sylloge dissertationum, Rotterdam, 1721
- Fasciculus dissertationum, Leiden, 1725
- Fasciculus dissertationum, Leiden, 1727
- Historia exaltationis Jesu Christi, Leiden, 1728
- Expectatio gloriae futurae Jesu Christi, illustrata libris tribus (…), Leiden 1730
Bovendien was À Marck medeauteur van:
- Considerationes Theologicæ, Leiden, 1711
- Festivitas secularis, Leiden, 1719
- Judicium Ecclesiasticum, Leiden, 1725
