Site icoon Gereformeerd Erfgoed

Johannes Polyander

1568 – 1646

Johannes Polyander à Kerkhoven, de zoon van Johannes Polyander en Christina van Houten, werd op 28 maart 1568 uit een aanzienlijk Gents geslacht te Metz geboren. Toen hij nog maar één jaar oud was, zagen zijn ouders zich al genoodzaakt naar de Palts de wijk te nemen, waar zij twee jaren bleven wonen. Vanhier werd de vader als Waals predikant te Emden beroepen, waar Johannes het eerste onderwijs ontving. Op zijn veertiende jaar werd hij voor zijn verdere vorming naar Bremen gezonden, waarna hij vier jaren aan de hogeschool te Heidelberg o.a. onder Junius studeerde en zich vervolgens naar Genève begaf. Hier disputeerde hij onder Beza over de predestinatie en onder Fayus over het Middelaarschap van Christus.

Na in 1591 enkele maanden te Leiden in het Frans te hebben gepreekt, werd hij in ditzelfde jaar als Waals predikant te Dordrecht beroepen. Twintig jaren diende hij deze gemeente, toen de curatoren van de Leidsche Universiteit hem in 1611 als hoogleraar begeerden. Nadrukkelijk werd hierbij verlangd, dat hij met Episcopius in vrede zou leven, wat hij inderdaad heeft gedaan. Al achtte Polyander zichzelf niet de geschiktste persoon, zo werd hij toch benoemd en inaugureerde hij op 6 oktober 1611 met een rede, getiteld: ‘De S.S. Theologiae praestantia et dignitat’. Trigland prees hem als een uitnemend, aan de ware godsdienst zeer verknocht en zeer vredelievend man.

Toen de Grote Synode te Dordrecht in 1618 werd bijeengeroepen, werd Polyander als contraremonstrant door de Staten van Holland afgevaardigd. Al spoedig vroeg hij waarom Episcopius niet ter Synode was verschenen. Zijn raad, dat men met de remonstranten niet in conferentie moest treden, want dat de Synode rechter had te zijn en geen partij, werd opgevolgd. Hij vreesde dat, als men de remonstranten hun gang liet gaan, zij de zaak van de contraremonstranten in het grootste gevaar zouden brengen. De 31e december 1618 hield hij een Latijnse preek over Jesaja 52:7, volgens Hales ‘only a passionate strain’. In de 66ste zitting handelde hij over de Bijbelteksten waarin gesproken wordt over het inschrijven der namen in het boek des levens. Toen hem met enkele anderen werd opgedragen een ‘Wederleghschrift’ der remonstrantse leringen op te stellen, verzocht hij hem van die arbeid te verschonen, omdat hij zei te weten hoeveel hem tot dit werk ontbrak. Hij was een voorstander van het infralapsarisme. In verschillende commissies werd hij benoemd; namelijk in die voor het opstellen van de Leerregels, voor de goedkeuring van de Synodale Handelingen en voor het mondeling en schriftelijk verslag van den Synodale arbeid aan de Staten Generaal. Ten slotte werd hij nog tot overziener van het Oude Testament benoemd.

Bij Louise de Coligny stond hij in hoog aanzien. In 1625 begroette hij Frederik Hendrik bij de aanvaarding van zijn regering. Samen met zijn ambtgenoot Rivetus bracht hij prins Radzwill zijn onbehoorlijk gedrag onder het oog. Acht keer is hij rector geweest; in 1639 werd hij professor primarius genoemd. Tegen het einde van zijn leven mengde hij zich nog in de twisten over het lange en het korte haar, om bij de grote verdeeldheid, die vooral te Dordrecht werd gevonden, tot vrede te vermanen. Op 4 februari 1646 ontsliep hij. Zijn zoon heeft een gedenkteken voor hem opgericht in de St. Pieterskerk te Leiden.

Wat de Synopsis betreft: Polyander zou gezegd hebben, dat wat in dit werk voor zachtmoedigs voorkwam, van zijn hand was. Hij ontkende dit later en verzocht Van Baerle bij de remonstranten te bewerken, dat zij van dit verhaal geen misbruik zouden maken.

Mobiele versie afsluiten